Wie voor het eerst in Italië komt, zal al snel ontdekken dat hij geen enkel richtingaanwijzer zal vinden met “Florence” of iets wat daarop lijkt. Terwijl in nagenoeg alle talen de naam van de stad gelijk of bijna gelijk is (du. Florenze, en. Florence, fr. Florence, etc.) en herinnert aan de oorspronkelijk Latijnse naam Florentium, spreken de Italianen zelf al eeuwen van Firenze en noemen ze de inwoners geen florentijnen maar fiorentini. Dat zowel de Latijns-Europese als de Italiaanse uitspraak en schrijfwijze doen vermoeden dat de stadsnaam teruggaat op het woord voor bloem (it. fiore, bloem der natie?) maakt duidelijk dat er meer aan de hand is dan gewoon maar een verbastering: het een heeft wel degelijk met het ander te maken. En zo zie je in een Nederlandse vertaling van een toeristische gids dat Santa Chiara doodleuk de H. Clara wordt genoemd. Er is een verband!
Zoals bekend komt het Italiaans voort uit het Latijn, een taal die weer behoort tot de Indo-Europese taalfamilie. Ook de andere Romaanse talen hebben het Latijn als voorouder. Naast het Italiaans zijn de bekendste talen Spaans, Portugees, Frans, maar ook Roemeens en het zogenaamde Retoromaans dat in het Zuidoosten van Zwitserland wordt gesproken. De Romeinen hadden een groot deel van Europa bezet en beïnvloedde in meerdere of mindere mate de taal die in die gebieden gesproken werd. Al tijdens de Romeinse tijd (Oudheid) en gedurende de vroege middeleeuwen ontwikkelde zich de spreektaal, het volkse Latijn (in de wetenschap “Vulgair Latijn” genoemd), steeds onafhankelijker van de schrijftaal (het “klassiek” Latijn), en in elk geromaniseerd gebied verbasterde de taal een eigen kant op.
Het aardige is nu – en vanuit de Germaanse taalkunde was ik er wel al mee bekend – dat er in de loop van de tijd structurele veranderingen in de uitspraak (en als gevolg daarvan ook in de spelling) opgetreden zijn, waarin een grote mate van wetmatigheid te ontdekken lijkt. Als je nu een rijtje Italiaanse woorden vergelijkt met het Latijn, maar ook met de Romaanse zustertalen, dan blijken Firenze en fiorentino te passen in een groter geheel. Waarin het Italiaans namelijk structureel lijkt af te wijken, is dat veel combinaties van (begin)medeklinker + l zich in het Italiaans (en nagenoeg alleen in die taal, dus als afwijking) heeft ontwikkeld tot (begin)medeklinker + i. Onderstaande tabel, die overigens geen enkele pretentie heeft qua volledigheid of wetenschappelijkheid, laat aan de hand van de (hedendaagse) vormen zien hoe de Romaanse talen op elkaar en op hun Latijnse moeder lijken en hoe het Italiaans op minstens één aspect duidelijk afwijkend is, nota bene in het land waar het Latijn vandaan komt en ook het langst in levende vorm aanwezig was.
Door mijn gebrekkige kennis van het Spaans en Portugees, laat staan van het Roemeens, zal deze lijst verre van volledig en zeker niet op alle plaatsen correct zijn. Mogelijk zijn er etymologische verbanden die met bestudering van de geschiedenis van genoemde taalvormen naar boven zouden komen, maar ondanks de wat willekeurige combinatie lijkt me de “trend” duidelijk.
Opvallend is overigens dat de combinatie b + i niet afkomstig lijkt uit het Latijn. Als je ook in een woordenboek de woorden die beginnen met deze combinatie opzoekt, zijn dat meestal woorden waarin “bi” het betekeniselement “twee” vormt en dus al ouder is, en dus niet uit de Latijnse combinatie b + l komt. Daarentegen zijn wel Germaanse talen met juist die combinatie te vinden. Zou het gaan om leenwoorden die in de loop van de tijd in het Vulgair Latijn zijn terechtgekomen en van daaruit in de Romaanse talen? Nader uit te zoeken.
Ook opvallend is dat Portugees en Roemeens, en soms ook Spaans zich niet aan de hier bedachte regel houden en soms afwijken. Een vollediger overzicht van vergelijkbare taalvormen zou overigens inzicht kunnen geven in de regelmaat door de talen heen. Natuurlijk neemt een taal soms een heel ander woord voor een begrip, en dan gaat de klankverandering niet meer op, óf er vindt nog een klankverandering plaats waardoor de nieuwste vorm afwijkt van de standaard.
De kans dat ik met deze waarnemingen een oorspronkelijke ontdekking heb gedaan is na 2000 jaar taalgeschiedenis onwaarschijnlijk. In mijn eigen boekenkast kom ik dan ook het boek L'Italiano: Elementi di storia della lingua e della cultura (“elementen van geschiedenis van de taal en van de cultuur”) tegen, van Francesco Bruni. In hoofdstuk 5 van dit boek worden tal van (fonologische) veranderingen in de ontwikkeling van (Vulgair) Latijn naar Italiaans besproken. Op pagina 267 wordt dan ook de “wet” besproken die ik meende ontdekt te hebben. Een aantal al genoemde voorbeelden wordt ook in het boek aangehaald: piazza, piacere, biondo, ghiaccia, fiore en fiamma.
Daarnaast wordt gewezen op vormen als:
- speculum (kl. lat.) > speclum (vulg. lat.) > specchio (spiegel)
- [de niet teruggevonden maar gereconstrueerde vorm] *plattu > piatto (bord, eng. Plate)
- plumbu > piombo (lood)
- cop(u)la > coppia (koppel, paar)
- blasmer (oud-Frans) > biasimare (berispen, afkeuren)
- clamare (Lat.) > chiamare (roepen, noemen)
- oc(u)lu > occhio (oog)
- sclavu > schiavo (slaaf)
Dus niet alleen medeklinkers aan het begin van een woord volgen deze wetmatigheid, maar ook middenin een woord. Qua klank betekent het overigens een overgang van /l/ naar /j/ omdat de [i] steeds onbeklemtoond is.
Zelfs het eiland Ischia zou etymologisch te herleiden zijn tot het woord voor “eiland”:
- i(n)s(u)la è iscla è Ischia
Het boek vermeldt verder dat deze klankveranderingen al in de Romeinse Oudheid (età antica) in gang zijn gezet, en dat deze ontwikkeling is un tratto innovativo caratteristico dell’italiano rispetto alle lingue romanze confinanti – francese e ladino – che invece li conservano, soprattutto in posizione iniziale. Ook een manier om er tegenaan te kijken: een innovatie van de taal, i.p.v. het negatief klinkende “verbastering” of – wat we tegenwoordig nog al snel roepen bij taalveranderingen – “taalverloedering”. En natuurlijk hebben hun gelijk ;-)

0 reacties:
Een reactie plaatsen